Curriculum

Eerdere studenten:

“Heel leerzame introductie tot ‘de klassieken.’”

“We hebben een breed scala van teksten behandeld, meerdere invalshoeken.”

“Ik weet nu eindelijk verbanden te trekken tussen de verschillende auteurs.”

Bij wijze van proef: de basiscursus “Bronnen van de westerse traditie”

Van februari tot en met juni 2017 organiseerde AILAS in de bibliotheek van het Scheepvaartmuseum bij wijze van proef de basiscursus “Bronnen van de westerse traditie,” gegeven door universitair docenten. Gedurende deze periode beantwoordden de studenten twee korte vragenlijsten, maakten ze één tentamen en schreven ze tien kleine opstellen en één middelgroot opstel. Onder de gelezen auteurs en teksten bevonden zich Homerus, Ilias (selecties); Plato, Apologie; Aristoteles, Nicomachische Ethiek (selecties); Bijbel (selecties); Augustinus, Belijdenissen (selecties); Descartes, Verhandeling over de Methode; Newton, Wiskundige Principes (selecties); Hobbes, Leviathan (selecties); Smith, De Rijkdom der Naties (selecties); en Mill, Over de Vrijheid. Ook was er aandacht voor de westerse muziek- en kunstgeschiedenis.

Toegangseisen

Deelnemers dienden als student geregistreerd te zijn (geweest) aan een erkende instelling voor hoger onderwijs. Het aantal deelnemers was beperkt tot maximaal vijftien.

Overzicht

Het vak bood studenten een inleiding tot de westerse intellectuele traditie. Daarbij lag de nadruk op het onder begeleiding bestuderen van een representatieve selectie van de grote monumenten van deze traditie, vaak de basisteksten of great books genoemd.

Vanwege het inleidende karakter en het beperkte aantal bijeenkomsten was er niet de verwachting dat studenten de boeken geheel tot zich namen. In plaats daarvan lazen ze zorgvuldig gekozen fragmenten en hoofdstukken. Enkele kortere werken wamen wel geheel aan bod, zoals Plato’s Apologie en Descartes’ Verhandeling over de Methode.

Discussie van de teksten was zodanig dat zij voor de studenten gingen functioneren als coördinaten op een geestelijke kaart. De student ging bijvoorbeeld zien hoe het begrip ‘deugd’ van betekenis veranderde tussen Homerus en Plato, hoe Augustijnse thema’s terugkeerden in Descartes, en hoe Hobbes’ politieke denken was beïnvloed door de wetenschappelijke revolutie waarin Newton een prominente rol speelde. Studenten ontwikkelden op deze wijze grip op de structuur van de westerse ideeëngeschiedenis en verwierven inzicht in de samenhang tussen de verschillende academische disciplines.

Deelnemers begonnen met het verwerven van basisfeiten, zoals jaartallen, namen en elementaire context. Vervolgens verschoof de nadruk naar het bestuderen en begrijpen van de textuele bronnen. In deze fase schreven de studenten wekelijks opstellen waarin zij de redenering van de gelezen schrijver helder en logisch uiteenzetten. Het vak eindigde met een langer opstel ter verdediging van een eigen stelling over een thema dat iedere student zelf had gekozen, in samenspraak met de docent. In dit opstel confronteerde de student verschillende auteurs met elkaar en met zichzelf, en ging hij met hen de dialoog aan.

Onderwijsmethode

Week 1 tot en met 3: basisfeiten

In deze eerste bijeenkomsten lag de nadruk op het verwerven van noodzakelijke feiten, waaronder namen, jaartallen en elementaire historische context. De bijeenkomsten waren echter geen hoorcolleges, maar seminars. De studenten lazen daarom enkele artikelen uit een verstrekte bundel.

Om een degelijke voorbereiding aan te moedigen ontvingen de deelnemers vierentwintig uur voorafgaand aan de bijeenkomst een korte lijst met vragen van feitelijke aard, goed te beantwoorden aan de hand van de voorgeschreven literatuur. Deze vragenlijst dienden de deelnemers bij binnenkomst ingevuld in te leveren.

Dit eerste deel van het vak eindigde met een tentamen. Studenten kregen vijf kwartier om – uit het hoofd – een reeks open vragen te beantwoorden over de stof van de voorgaande twee weken. Na afloop van het tentamen volgde (na een pauze) een instructie over het schrijven van opstellen. Dit was de overgang naar het tweede deel van het vak.

Week 4 tot en met 17: het bestuderen en begrijpen van de textuele bronnen

In de weken 4 tot en met 17 bestudeerden de studenten een tiental klassieke teksten. Belangrijk leerdoel in deze fase was het zorgvuldig redeneren en formuleren, zowel in het gesproken als geschreven woord. Dit kwam tot uitdrukking in zowel de aard van de bijeenkomsten als in de tentaminering.

De bijeenkomsten hadden het karakter van een gestructureerd gesprek tussen de docent en de studenten, min of meer als een Socratische dialoog met de literatuur van die week als onderwerp. Iedere bijeenkomst werd daarbij gebruik gemaakt van de drieslag feiten, logica en meningsvorming, net als in de cursus als geheel. Dit daagde studenten uit om met aandacht voor historische context zorgvuldig te lezen, kritisch te reflecteren op hun eigen denken en om complexe gedachten helder onder woorden te brengen.

Deze onderwijsstijl was uitsluitend mogelijk wanneer studenten zich goed inlazen en goed voorbereid naar de bijeenkomst kwamen. Iedere student schreef daarom een kort opstel (800 woorden) over de voorgeschreven literatuur. Het opstel functioneerde als toegangsbewijs voor het seminar. Vanzelfsprekend was er in deze fase niet de verwachting dat studenten innovatieve interpretaties of creatieve toepassingen te berde brachten, maar slechts dat zij de kernredenering van de gelezen tekst op een heldere en bondige manier weergaven, met respect voor de regels van taal en logica. De student ontving de precieze opdracht steeds één week voor de bijeenkomst en kreeg ieder opstel een week later terug met cijfer en commentaar. Studenten verbeterden op deze wijze zowel hun schrijfvaardigheid als hun vermogen om ingewikkelde teksten zelfstandig te lezen.

De teksten en hun schrijvers stonden bij deze aanpak aldus centraal: Homerus, Newton, enzovoorts waren de echte onderwijzers. De docenten stelden zich op als meer gevorderde studenten, die de andere studenten vragenderwijs ondersteunde in hun pogingen de great books beter te begrijpen, zowel op zichzelf genomen als in hun onderlinge relaties.

Week 18 tot en met 20: een beargumenteerde eigen stelling

Studenten sloten het vak af met een iets groter opstel (2000 woorden) over een relevant onderwerp, door iedere student zelf gekozen in samenspraak met de docent. Het was de bedoeling dat de student twee van de behandelde great books verwerkte in zijn verhandeling, maar zich anders dan in de eerdere opstellen op meer kritische wijze tot de klassieke teksten verhield en zelf beargumenteerd positie koos.

Voorbeelden van mogelijke onderwerpen waren: de Apologie en Mill over vrijheid van meningsuiting; Augustinus en Descartes over twijfel; de Staat en De Rijkdom der Naties over eigendom; de Bijbel en de Principia Mathematica over natuurlijke orde; Homerus en Hobbes over moed.

Beoordeling

Het eindcijfer was het gewogen gemiddelde van de vragenlijsten (10%), het tentamen (15%), de opstellen (40%) en het eindopstel (35%). In geval van een opvallend goede of ondermaatse participatie kon het eindcijfer met maximaal een punt worden verhoogd of verlaagd.